ITIL 4 beschrijft drie technische management-practices die zijn verheven van een technologie-gerichte functie tot een breder toepasbare practice:
1. infrastructuur- en platformmanagement
2. softwareontwikkeling en –management
3. uitrolmanagement
12.3.1 Infrastructuur- en platformmanagement
Het doel van de practice infrastructuur en platformmanagement is toezicht te houden op de infrastructuur en platforms die door een organisatie worden gebruikt.

IT-infrastructuur is de fysieke en/of virtuele technologie, zoals servers, opslag, netwerken, client hardware, middleware en besturingssystemen, die de omgevingen leveren die nodig zijn om IT-services te leveren.

Infrastructuur- en platformmanagement kan ook betrekking hebben op de gebouwen en faciliteiten die een organisatie gebruikt om haar IT-infrastructuur te managen.

IT-infrastructuur en platforms worden tegenwoordig vaak gebouwd met cloud-technologie. Consumenten kunnen de verwerking, opslag en/of andere automatiseringsmiddelen verkrijgen zonder de onderliggende infrastructuur te hoeven beheersen.

De visie van USM
ITIL 4 maakt voor operationele handelingen op de productieomgeving onderscheid tussen servicerequestmanagement, monitoring en eventmanagement, uitrolmanagement, infrastructuur- en platformmanagement en software development en –management.

In USM is er voor deze operationele handelingen slechts één integraal en geïntegreerd proces, OPS, waarin al die activiteiten een logische, vaste plek hebben. In USM is infrastructuur- en platformmanagement dus een regulier onderdeel van het proces OPS, zie Figuur 65.

Figuur 65. De ITIL-practice Infrastructuur- en platformmanagement wordt gerealiseerd met USM-processen
12.3.2 Softwareontwikkeling en -management
Het doel van de practice softwareontwikkeling en –management is ervoor te zorgen dat programmatuur voldoet aan de interne en externe behoeften van stakeholders, in termen van functionaliteit, betrouwbaarheid, onderhoudbaarheid, compliance en controleerbaarheid.

De term 'software' kan van alles te beschrijven, van een enkel programma (applicatie, pakket) tot grotere constructies (zoals een besturingssysteem, een besturingsomgeving of een database) waarop verschillende kleinere programma's, processen of workflows kunnen draaien.

Softwareontwikkeling en -management is een sleutel-practice in elke moderne IT-organisatie. De practice kan waterval- of agile-methoden, DevOps of een andere benadering toepassen. De activiteiten bestrijken de gehele levenscyclus van software, van ideevorming, ontwerp, ontwikkeling, testen, uitrol en werking tot aan uitfasering.


De visie van USM
ITIL 4 maakt voor operationele handelingen op de productieomgeving onderscheid tussen servicerequestmanagement, monitoring en eventmanagement, uitrolmanagement, infrastructuur- en platformmanagement en software development en –management.

In USM is er voor deze operationele handelingen slechts één integraal en geïntegreerd proces, OPS, waarin al die activiteiten een logische, vaste plek hebben. De activiteit softwareontwikkeling vindt niet plaats in de productieomgeving en is onderdeel van de stap voorbereiden wijziging in het proces CHM. Zie Figuur 66.

In USM is softwaremanagement dus een regulier onderdeel van het proces OPS en valt softwareontwikkeling onder CHM. Daarbij kunnen agile werkwijzen en DevOps-organisatiestructuren worden ingezet.

Figuur 66. De ITIL-practice Softwareontwikkeling en -management wordt gerealiseerd met USM-processen
12.3.3 Uitrolmanagement
Het doel van de practice uitrolmanagement is het verplaatsen van nieuwe of gewijzigde hardware, software, documentatie, processen of andere componenten naar productieomgevingen of naar omgevingen voor testen of preproductie (staging).

Uitrolmanagement werkt nauw samen met releasemanagement en change enablement. De practice kan verschillende benaderingen hanteren, waaronder:
• gefaseerd uitrollen: componenten worden stap voor stap ingezet op delen van de productieomgeving
• continue levering: componenten worden geïntegreerd, getest en ingezet wanneer ze nodig zijn
• big-bang-uitrol: alle componenten worden tegelijk in alle doelomgevingen afgeleverd
• pull-uitrol: gebruikers implementeren de objecten zelf vanuit een gecontroleerde opslagplaats
Uitrolmanagement verwijst naar zowel infrastructuur als software. Componenten die beschikbaar zijn voor gebruik, dienen te worden onderhouden op één of meer beveiligde locaties (mediakluis of hardwarekluis). Uitrol kan worden ondersteund door automatiseringstools, bijvoorbeeld voor het inzetten van software die op de client draait.

Communicatie rond een uitrol maakt deel uit van releasemanagement. Het is essentieel dat de organisatie op de hoogte is van alle uitrolactiviteiten, zodat een beheerste omgeving kan worden gehandhaafd.

De visie van USM
ITIL 4 maakt voor operationele handelingen op de productieomgeving onderscheid tussen servicerequestmanagement, monitoring en eventmanagement, uitrolmanagement, infrastructuur- en platformmanagement en software development en –management.

In USM is er voor deze operationele handelingen slechts één integraal en geïntegreerd proces, OPS, waarin al die activiteiten een logische, vaste plek hebben.

In USM is uitrolmanagement dus een regulier onderdeel van het proces OPS, zie Figuur 67.

Figuur 67. De ITIL-practice Uitrolmanagement wordt gerealiseerd met USM-processen